Goliath

‘t Is een heleboel man, één meter achtennegentig lang en honderdvier kilo zwaar. Vijf keer in de week trainen levert een gespierd, goed geproportioneerd lijf op, dat zag ik al wel op de foto’s. Boksen, karate, conditie- en krachttraining. En dat naast een baan als topmanager ‘kweeniewat’ bij een elektriciteitsbedrijf.

Zijn kop is op zich ook goed al associeer ik hem ook met zo’n Darwin-plaatje waar de ontwikkeling van aap tot mens op staat afgebeeld, de mens steeds een beetje rechterop. Hij lijkt op de middelste, zo’n tussenvorm, niet onaardig maar nog niet helemaal af.

Maar op papier is hij leuk en aantrekkelijk genoeg om mee te daten en dat vindt hij van mij ook, dus we spreken af. Op het station waar ik hem zonder moeite vind…Goliath. Wel verstopt achter een spiegelende zonnebril en heftig op kauwgom kauwend.

Zijn huid is ouder dan zijn leeftijd en het woord Sjonnie vormt zich in mijn hoofd. Als hij me gedag glimlacht snap ik ook waarom hij dat op foto’s niet doet. Zijn gebit is minder gestroomlijnd dan zijn lichaam.

‘Niet zo kritisch’, zegt een stem in mijn hoofd. ‘Je bent zelf ook geen kloon van Doutzen Kroes tenslotte.’

‘Goed hè, Rotterdam’, zeg ik, want hij is uit een andere grootstedelijke dampkring.

‘Mwah, niks authentieks aan, al die nieuwbouw.‘

Da’s een dikke min want ik kan lyrisch leuren met mijn mooie wereldstad. ‘Niet gelijk conclusies trekken’, wijsvingert stem.

We gaan wat eten, in een relatief authentiek restaurant, want ik wil hem best een beetje tegemoet komen.

‘Had ik eigenlijk gezegd dat ik ook een beetje hooligan ben?’

‘Nee’, antwoord ik terwijl ik zit te kauwen op dat ‘een beetje’. Wat is een beetje hooligan, ga je dan één keer per maand uit je voetbalpanty in plaats van twee keer?

‘Vroeger knokte ik alles aan elkaar, nu niet meer, ben wat rustiger geworden, vijftig weet je wel. Maar ik heb wat klappen gegeven aan die jongens van de ME’, zegt hij en kijkt me trots aan, wachtend op bewondering die ik hem niet geef.

Ik ben voetbalnerd. Toen Feyenoord dit jaar kampioen werd ben ik ook even naar de Hofpleinfontein gelopen, heb even mee gehupst maar het komt niet van binnenuit. ‘t Is liefde voor de club, overweldigende liefde die je grijpt’, zegt mijn buurvrouw Eva, want die is ook besmet.

Maar ik heb het niet, en eerlijk gezegd denk ik als de rookwolken rond het stadion weer zijn opgetrokken; da’s weer een aardig kostenpostje voor de stad.

Goliath neemt ondertussen een tweede dubbele tia maria.

‘Goh’, zeg ik, ‘leuk’, wat nergens op slaat.

Hij voelt het, want hij begint over zijn werk. ‘Ik zit er nu vier jaar maar het gaat lekker, ik verdien nu zesduizend netto en elke jaar een bonusje met een paar nullen. Ik heb er pas een fijn BMW’tje vijf van gekocht, open dakkie, lekker hoor. Ik oriënteer me nu op horloges. Misschien koop ik volgend jaar een Rolex, mooie klokkies zijn dat.’ Hij peilt het effect dat zijn financiële staat op me heeft.

‘Goh’, zeg ik weer zo meutig, maar ik weet niks beters, ik ben niet gevoelig voor geld en materieel merkenvertoon. Shoppen in de kringloop en een opgezette vogel parelkettingen omdoen en op een tafeltje lijmen, dát vind ik leuk. Mijn auto is zestien jaar oud, ooit gekocht voor duizend eu, leek me zat.

Ik ga het hem niet vertellen.

We voelen allebei dat het schuurt tussen ons en dat de papieren idylle aan het verschrompelen is.

Het dessert slaan we af, de rekening dan maar.

‘Samen delen?’ zegt hij over de rekening van vierenzestig eu

En tegen mijn gewoonte in zeg ik: ‘nee’.

Indirect betaal ik mee aan zijn salaris via het elektriciteitsbedrijf en aan zijn zondagmiddagvertier via de gemeentebelastingen, dus deze is voor hem.

Hij fronst even maar trek zwijgend zijn goldcard.

‘Twee keer rechts, dan ben je bij het station’, zeg ik… Ik kijk hem na, jammer hoor, ‘t leek een reuze lekker ding.

Tekst: Marga de Waard

By | 2018-06-06T16:30:05+00:00 May 13th, 2018|Van Mij|0 Comments

Leave A Comment