Het gesprek: Annigje, een voormalige non

Sinds het overlijden van mijn man, vraag ik me eigenlijk af of er wel een hemel is of dat er iets met je ziel gebeurt. Misschien gaat het bij mensen net als bij de dieren, gewoon weg, dood is dood.’

Een opvallende uitspraak voor iemand in wiens leven de kerk met haar rituelen en opvattingen zo’n prominente rol hebben gespeeld.

Ik praat met Annigje, een meisje op leeftijd van 91 jaar. Ze woont in een idyllisch dorp, onder de rook van Apeldoorn, in een romantisch huisje met uitzicht op groen.

Ik ben in 1927 geboren, als jongste van tien kinderen. Mijn ouders waren boeren en ik daarmee een boerendochter, maar mijn oudste broer heeft me gestimuleerd om te gaan leren.

Het ‘leren’ begon op de bewaarschool om te wennen aan de lagere school die spoedig zou volgen. De bewaarschool was gemengd maar de lagere school was verdeeld in meisjes- en jongensscholen. We kregen elke maand een groene kaart mee als we aantoonbaar elke dag naar de kerk waren geweest. Ik had veel kaarten!

De lagere school volgde ik in Delden, vijf kilometer bij ons huis vandaan. Soms ging ik samen met mijn oudere broer Hendrik maar vaak moest ik ook alleen. Vooral ná school was het in de winter al best donker in het bos, waar ik doorheen moest fietsen. Ik nam dan mijn rozenkrans in de hand om te bidden en dan voelde ik me veilig. Die rozenkrans hadden we altijd op zak, als we weggingen van huis vroeg mijn moeder: ‘’Heb ule ´n zakdook, rozenkraans en kêrkbook bie ule?’’

Ik ben in 1939 naar de MULO gegaan, waar ik in 1943 examen deed. Door de oorlog was het lastig om verder te studeren maar in 1946 ben ik alsnog naar de Huishoudschool in Denekamp gegaan

(de boerinnenschool). Een jaar later wilde ik meer, ik wilde landbouwhuishoudlerares worden, dan had je voor jezelf ook een toekomst leek me. Met dat diploma kon ik lesgeven op een huishoudschool waar er toen veel van waren. Ik volgde de opleiding in Posterholt, een katholiek internaat onder leiding van de zusters Ursulinen,waar ik intern ging.

Er zaten meisjes uit het hele land. De eerste twee jaar sliepen we op een slaapzaal met witte gordijnen tussen de bedden en hadden we alleen een nachtkastje , een wastafel en een stoel om onze kleren overheen te hangen. Onder het bed een zinken teil waarin we onze voeten wasten. Water haalden we op één punt in de zaal. We mochten niet met elkaar praten. ‘s Morgens werden we gewekt met de bel en “Geloofd zij Jezus Christus’’, en wij moesten antwoorden met ”In eeuwigheid amen’’. Vanuit bed gingen we naar de kapel voor de mis, daarna ontbijt, waarna we altijd een Posterholts liedje zongen:

‘’Als ‘s morgens ‘t haantje opstaan kraait, verlaten wij het bed.

Wij ord’nen vlug ons slaapvertrek en maken ons toilet,

Het eerste werk dat ons dan wacht is arbeid voor de Heer

t is bidden voor een goede dag en andere zaken meer (2x)

Zo worden wij hier opgeleid en voor veel kwaad behoed

Tot sieraad van de boerenstand, tot eigen heil en goed,

In ‘t later leven dat staat vast, hoe het dan ook zeilt of rolt

Denkt ieder toch met veel plezier aan ‘t schone Posterholt.’’

De opleiding eindigde met stage op verschillende plekken. Hierna volgde ik, nog steeds in het internaat, een aanvullende opleiding waar ik leerde lesgeven. In die periode kregen we ook een eigen kamertje, meer vrijheid dus. We mochten zelfs op dansles, al stond moeder overste ons na afloop bij de deur op te wachten.

In 1953 werd mijn broer gewijd als priester en ook ik voelde steeds meer de neiging om het klooster in te gaan. Uiteindelijk heb ik de knoop doorgehakt en ben ik op 4 augustus 1953, op zesentwintigjarige leeftijd ingetreden. Ik kreeg een eigen zustersnaam: Margaretha. Twee jaar later heb ik mijn tijdelijke geloften afgelegd: armoede (geen eigen bezit), zuiverheid (niet trouwen), gehoorzaamheid (alles doen wat de overste zegt). Niet niks, maar het kloosterleven trok me: stilte, gebed, meditatie.

Als postulant stond ik voor de klas als landbouwhuishoudlerares. Ik heb in die tijd ook nog de akte voor tuinbouwlerares gehaald want daar was behoefte aan.

Ik ben heel gelukkig geweest in het klooster maar geleidelijk aan ging het me tegenstaan. Ik wilde kinderen. In 1959 ben ik vertrokken uit het klooster en was daarmee ook mijn baan kwijt.

Ik moest weer opnieuw beginnen, maar ik vond weer werk als lerares in IJsselstein. Ook werd ik voorlichtster voor de streekverbetering. Ik gaf onder meer huishoudelijke voorlichting over de verbouwing van de keuken, wc en douche. Daar was subsidie voor in die tijd.

Alle voorlichters kwamen eens in de zoveel tijd bij elkaar voor een vergadering. Op één ervan heb ik Leendert leren kennen. Na een aantal ontmoetingen vroeg hij me mee naar de film. Ik vond het een leuke gozer en hij reed op een prachtige scooter, een Heinkel, de BMW onder de scooters.

Onze verkeringstijd verliep rustig, als katholiek ging je niet met elkaar naar bed; dat vroeg wel om zelfbeheersing maar dat konden we wel opbrengen.

We zijn ook verloofd, dan droeg je als katholiek je ring rechts, dat mensen konden zien dat je de intentie had om te trouwen. Om te kunnen trouwen had je ook een huis nodig dus gingen we op zoek in de regio Amersfoort, vanwege Leenderts werk. We vonden een huis uit 1932 dat per opbod verkocht werd omdat de eigenaar aan de drank was geraakt en het huis niet meer kon onderhouden. Daarvoor had er een gezin met dertien kinderen in gewoond dus het huis was wel aan een verbouwing toe. Een aannemer ging aan de slag en in het voorjaar van 1964 was het huis klaar.

In 1963 waren we al voor de wet getrouwd, vanwege het belastingvoordeel. Maar op 27 mei 1964 was de echte trouwerij in de Pius kerk in Hengelo.

Leendert heeft me over de drempel gedragen en ik was best een beetje zenuwachtig voor zo´n eerste nacht samen. De volgende dag moesten we meteen al aardbeien plukken in onze tuin omdat die al rijp waren. Die had Leendert geplant op onze kavel.

Ruim een jaar later werd onze eerste dochter geboren en nog twee kinderen zouden volgen. Twee jaar na de geboorte van ons derde kind ben ik weer gaan werken.

Achteraf heb ik een beetje spijt van het klooster, ik had graag eerder en ook meer kinderen gekregen. Ik was al achtendertig toen ons eerste kind geboren werd wat voor die tijd best oud was. Sommigen zeiden:

‘’je zult denk ik geen kinderen meer krijgen’’, en dat vond ik zo erg!

Maar aan de andere kant, als ik niet in het klooster was gegaan had ik Leendert niet ontmoet.

Ik kan terugkijken op een gelukkig leven, eerst in het klooster, later met Leendert en onze kinderen. Ik zou zó graag langer samen geweest zijn. Maar toch heb ik liever dat ík nu alleen ben en niet híj, dus ’t is goed zo.

Zoals ik al zei, ik kijk anders naar het geloof, heb er moeite mee gekregen sinds het overlijden van mijn man. Het idee dat mijn man in de hemel is… Ik hoop het, maar daar blijft het voorlopig bij.

Misschien komt mijn geloof nog terug, dat hoop ik ook.’

Op verzoek van ‘Annigje’ zijn de namen van alle betrokkenen gefingeerd.

Tekst: Marga de Waard

By | 2018-05-13T08:51:10+00:00 May 13th, 2018|Van Mij|1 Comment

One Comment

  1. Edith May 15, 2018 at 9:25 pm - Reply

    Prachtig vehaal, Marga!
    Liefs, Edith

Leave A Comment