Ochtendgloren

In het glas van het grote dakraam schuin boven mijn bed zit een barst. Het begon met een klein scheurtje aan de onderkant maar de barst werkt zich in rap tempo via een grillig patroon naar boven.

Ik neem het waar en negeer het. Geen zin in.

Mijn vriendin zegt dat ik er wat aan moet doen want glas kan knappen volgens haar.

Mwah denk ik, dat zal zo’n vaart wel niet lopen. En zet het bellen van een glasman onderaan het ‘eens to do lijstje’.

Maar ramen blijken inderdaad te kunnen knappen. Op een moment dat het niet heel gelegen komt, al staat dat eigenlijk gelijk aan nooit. Het gebeurt als ik in bed lig te slapen. Kwart over drie ’s nachts, het duurt even voor je doorhebt wat er gebeurt.

Blind toeval dat ik niet alleen lig, mijn scharreltje uit Den Haag ligt er ook.

‘Wat doe je nâh?’, vraagt hij terwijl hij me verbijsterd aankijkt. Zijn accent valt niet te missen. Als hij komt belt hij me op, bij gebrek aan een functionerende bel, en zegt: ‘Ik sta voâh de deuâh.’

‘Ik doe niks, het raam is stuk.’

‘t Is een ravage met heel veel kleine stukjes glas en het ligt overal. Het dekbed ligt vol, de vloer, ik zie het glinsteren in zijn Haagse haar en als ik beweeg voelt het scherp op mijn huid.

‘Warom hebbie ut nie late make, dr zat vorige keâh auk al un bagst in.’

Hij kijkt me vragend aan.

‘Gewoon’, zeg ik, want luie eigenwijsheid klinkt niet lekker.

‘Nâh warom?’ gaat hij door en blijft in de glaszee wachten op een bevredigend antwoord. ‘t Is een georganiseerde man met oog voor detail. Het zou hém niet gebeuren.

‘Gewoon vergeten’, maak ik me er vanaf.

‘Ik vind ut nie zau maui.’

Ik kijk hem aan en vraag: ‘Zullen we opruimen?’

We manoeuvreren uit bed, wat nog niet heel makkelijk is.

‘Ga jè maah je stofzùigâh pakke è mèn schoene.’

Ik haal de stofzuiger en hij gaat ermee aan de slag, in zijn blote kont maar mét gympies aan.

‘t Is wel een aardig plaatje voor in mijn belevenissenboek.

Ik sleep het dekbed, de kussens en het topmatras naar beneden, klop ze uit op het balkon en doe er nieuwe hoezen om. We draaien het matras om en tenslotte spannen we een oud gordijn voor het raam met driehonderd punaises. Na een uurtje liggen we weer.

Hij ligt te draaien als een tombola.

‘Lig stil man.’

‘Ik ken gewaun nie slapûh van de schrik.’

‘Dan ga je naar huis.’

‘Nei, daah heppik gein zin in.’

Hij blijft dan toch stilliggen en we vallen in slaap.

Nog voor zes uur ’s morgens voel ik een por in mijn zij.

‘Wat?’

‘Ik mot vroeg weg.’

‘Je weet de weg…’

‘Je hep mèn nacht vekloot dus mèn óchtend wâh ik goed beginnûh. Je ben nâh toch wakkâh.’

‘t Is tien voor zes, zie ik.

Maar ok, denk ik bij mezelf, ik heb wat goed te maken met hem, gewoon effe een kwartiertje standje zeester en fijn verder slapen.

‘Ken je misschien eive leuk mei doen?’

Zeester volstaat niet. Na een uur zeg ik: ‘Jemig man, schiet eens op.’

‘Jaha, ik ben un ochtendmes’, zegt hij.

D’r komt toch een eind aan en ik rol me lekker op in mijn dekbed.

Er komt tekst uit de badkamer die ik niet versta.

Druipend loopt hij tot onder aan de trap en roept: ‘Ik lus wel koffie met mellek.’

Ik sla het dekbed weg en ga het zetten.

.

Ondertussen neemt hij de laatste banaan die ik in mijn kwark had bedacht.

Dan gaat hij weg, en ik rol me weer in het dekbed.

Drie kwartier later gaat de telefoon, daar is hij weer.

‘Ik hep ‘n beikeuâhring.’

‘Dat kan niet zo snel.’

‘Van de vorige keâh, jè mag hem betale.’

Ik ben hem natuurlijk vergeten aan te melden op de parkeerapp.

‘Je hebt een ton zwart geld, je zoekt het maar uit’, en ik hang op.

En rol me weer op.

Hij belt weer.

‘En je gaat d’r gein vehaaltie van make, dattik in me nakie ‘s nachs stond te stofzùige hè.’

‘Tuurlijk niet.’

Ik zet de telefoon op stil.

Tekst : Marga de Waard

By | 2018-05-13T08:05:02+00:00 May 13th, 2018|Van Mij|0 Comments

Leave A Comment